Hoge Raad 29 April 2016, ECLI:NL:HR:2016:759
Also known as
De Hoge Raad oordeelt dat de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het proces-verbaal van de verificatievergadering in de zin van art. 196 Fw – voor zover de daarin opgenomen vordering is erkend en door de gefailleerde niet is betwist op de voet van art. 126 Fw – op één lijn moet worden gesteld met een rechterlijk vonnis, zodat de verjaringstermijn van twintig jaar van art. 3:324 lid 1 BW van toepassing is. De bestaansgrond van deze langere verjaringstermijn – te weten de dwingende vaststelling van het bestaan van de verplichting en de gebleken wil tot nakoming – doet evenzeer opgeld bij een ter verificatie ingediende en erkende vordering, mede gelet op de waarborgen waarmee de verificatieprocedure is omkleed (onderzoek door de curator, leiding van de rechter-commissaris, ondertekening van het proces-verbaal). Art. 36 Fw is in een zodanig geval niet van toepassing, en de verjaringstermijn vangt aan op de dag volgende op die waarop het proces-verbaal door de rechter-commissaris en de griffier is ondertekend.AI
Netherlands · · · Cited by 11 · 29-04-2016
Formele relatie: Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:51, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2014:4231, Bekrachtiging/bevestiging
Faillissementsrecht. Verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van in proces-verbaal van verificatievergadering opgenomen erkende, en niet door de gefailleerde betwiste, vordering (art. 196-197 Fw). Toepasselijkheid van verjaringstermijn van twintig jaar (art.
Read the full text
This document is published by uitspraken.rechtspraak.nl.
Moonlit adds the citation network (11 references), article-level links and cross-references, which are available to search for free.
Sign in to Moonlit