Parket bij de Hoge Raad 25 June 2013, ECLI:NL:PHR:2013:607

Also known as

Deze conclusie van A-G Wattel betreft de toepassing van art. 15e (thans art. 12a) Wet Vpb op een geval waarin een herinvesteringsreserve (HIR) vóór de wijziging van het uiteindelijke belang in de belastingplichtige werd afgeboekt op een vervangende onroerende zaak (de zogenoemde 'voorafoplossing'). De A-G concludeert dat art. 15e Wet Vpb naar zijn duidelijke tekst moet worden uitgelegd en derhalve niet van toepassing is op de voorafoplossing, nu de bepaling onmiskenbaar een bepaalde volgorde van handelingen vereist waarbij de HIR ten tijde van de belangwijziging nog aanwezig moet zijn; het beroep op fraus legis faalt eveneens omdat doel en strekking van de wet niet worden miskend. Het cassatieberoep acht de A-G echter gegrond op het punt dat het Hof het begrip 'herinvesteren' in art. 3.54 Wet IB 2001 onjuist heeft uitgelegd door aansluiting te zoeken bij art. 3.43 Wet IB 2001, nu afboeking van de HIR pas mogelijk is op het moment dat aanschaffings- of voortbrengingskosten op de balans worden geactiveerd, hetgeen in casu pas na de belangwijziging plaatsvond.AI

Netherlands · · · Cited by 3 · 06-09-2013

Formele relatie: Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1187, Gevolgd

Toepassing art. 15e (vanaf 2007: 12a) Wet Vpb: verval van een herinvesteringreserve (HIR) bij wijziging van het belang in het HIR-lichaam.

Read the full text

This document is published by uitspraken.rechtspraak.nl.

Moonlit adds the citation network (3 references), article-level links and cross-references, which are available to search for free.